Column Jan-Willem Vaartjes - Dentz 2



Deze column is vanwege de coronacrisis met enige vertraging geschreven. Een onzichtbaar virus, dat ook nog uren in een onzichtbare wolk in een kamer zou kunnen blijven hangen, heeft de wereld en zeker ook de tandheelkunde op zijn kop gezet. Het bracht niet altijd de meest positieve reacties los in de samenleving en ook niet in de mondzorg. E-mails dat tandartsen een tweede coronagolf zouden veroorzaken door weer zorg te gaan verlenen, mails dat we dodelijke slachtoffers zouden veroorzaken, uitingen dat we alleen aan economische belangen zouden denken stonden haaks op berichten dat we onverantwoord waren om überhaupt tijdelijk terug te schalen. Tegen de achtergrond van stress en onzekerheid allemaal wel begrijpelijk.

Toch hoop ik dat de critici, als de rust weer is gekeerd, zullen begrijpen dat een risicovrije samenleving niet bestaat en dat een wetenschappelijk artikel met aannames niet hetzelfde is als hard bewijs. Op social media en webinars circuleren steeds ‘de laatste wetenschappelijke inzichten’, voorzien van gepassioneerde discussies. Voor echt wetenschappelijk bewijs zijn echter meerdere studies met een goede opzet nodig, om daaruit een gemene deler te distilleren.

Het zekere voor het onzekere nemen levert veeleer ad-hoc beleid op, gebaseerd op onderzoek dat te snel is uitgekomen, geen goede opzet kent en veel risico op bias heeft zonder peer reviews. Beter is het dan om wat langzamer te zijn en zo nodig bij te sturen op voortschrijdend gefundeerd inzicht. Het GRADE systeem geeft daarbij houvast hoe betrouwbaar een wetenschappelijke claim is. Iets dat aan de publieke smaakmakers en de miljoenen hobby-virologen in Nederland voorbijgaat.

Gelukkig introduceert KiMo steeds duidelijker het GRADE systeem in zijn richtlijnen. Uit de laatste richtlijn ‘preventie en behandeling mondzorg voor jeugdigen’ bleek bijvoorbeeld weinig bewijs (laag / zeer laag) voor verschillende manieren van behandeling en preventie, zowel in effect als in kosten. Toch voeren verschillende jeugdmondzorgstromingen al jaren een soort van heilige oorlog over de naar hun overtuiging juiste methode. Het leidde twee jaar geleden zelfs tot een groot artikel in het NRC waarbij tandartsen werden weggezet als zorgverleners die het geld van curatie prefereerden boven de zogenaamd effectievere preventie. Ook in coronatijd duiken dit soort reflexen op, waarbij we onterecht en onnodig onze eigen beroepsgroep in een slecht daglicht plaatsen.

Ik hoop dat we nu gezien hebben dat eenheid en elkaar steunen veel effectiever is. Wat dat betreft ben ik erg blij hoe we nu als sector de coronacrisis aanpakken. Allereerst de samenwerking met de NVM, die cruciaal is voor het verhaal aan de politiek en de overheid. Na jaren elkaar bevochten te hebben, laten we zien dat in crisistijd, als de nood hoog is, de mondzorg verstandig is en kan samenwerken. Een belangrijk succes is het openstellen van de Rijksregelingen (TOGS en NOW) voor mondzorgpraktijken geweest. In eerste instantie was de zorg namelijk uitgesloten van deze maatregelen en zou de steun alleen via de zorgverzekeraars kunnen lopen.

Doordat we als alliantie snel in actie zijn gekomen en daarbij de druk in de media hebben kunnen opvoeren is er succes geboekt. Tijdens het proces zijn we altijd in goed overleg gebleven met de overheid. Ons blok van vier partijen, met een redelijk en evenwichtig verhaal, is krachtig gebleken. Het was te verwachten dat de continuïteitsbijdrage via de zorgverzekeraars veel voorwaarden zou kennen. Hierdoor is dit zeker niet voor elke praktijk een oplossing. Echter, doordat we als een van de eerste sectoren een geaccepteerd coronaplan hebben neergelegd om weer reguliere zorg te kunnen verlenen, zou dit samen met de Rijksregelingen voldoende moeten zijn om de sector door deze fase van de crisis te loodsen. Dit alles zonder ons afhankelijk te maken van de zorgverzekeraars omdat de continuïteitsbijdrage een keuze is gebleven. Daarnaast mag gezegd worden dat de overleggen met de zorgverzekeraars zeker constructief zijn geweest. Voor beide kanten van de (Zoom)tafel is het opstellen en vormgeven van een dergelijke regeling geen gemakkelijke opgave geweest en er zijn zeker nog een paar hobbels te nemen, met name rondom de berekening van de inhaalzorg.

In deze periode hebben we ook gemerkt dat een krachtige en daadkrachtige vertegenwoordiging van de tandartsen veel kan brengen. Met de uitdagingen die in het verschiet liggen is het niet in het belang van onze beroepsgroep om twee strijdende beroepsverenigingen te hebben. Als we in staat zijn om daar één krachtige en assertieve vereniging van te maken kunnen we veel meer bereiken. Ik hoor vaak dat de ANT nodig is om de KNMT op de juiste koers, en bovendien scherp te houden. Mogelijk was dit de afgelopen 10 jaar het geval, maar zeker gedurende de hele geschiedenis zijn er regelmatig situaties geweest waar dit averechts heeft gewerkt. Daarnaast leven we nu in andere tijden en met een andere samenstelling en werkwijze.