Column Jan-Willem Vaartjes - Dentz 5



Zoals beloofd kom ik terug op de gang van zaken tijdens mijn bestuursperiode rondom de invoering van taakherschikking in de mondzorg. Zoals de meeste tandartsen wist ik daar in 2012 niets vanaf en we hadden ook wel genoeg aan ons hoofd met dat andere experiment (vrije tarieven). Dat deze twee experimenten overigens met elkaar verbonden waren ontdekte ik bij toeval enkele jaren later tijdens het naspitten van Kamerstukken. De toenmalige minister Schippers had in de aanloop van het experiment de Kamer vertelt dat de tarieven zouden gaan dalen omdat er ook concurrentie zou komen van mondhygiënisten die boren en vullen. Men zou zich dus geen zorgen moeten maken over het experiment met de vrije prijsvorming. Een interessante gedachte is dan misschien ook dat het verzet tegen de zelfstandig borende mondhygiënist voor 2012 minimaal was omdat de vrije prijzen lonkten. Hoe dat ene experiment is afgelopen weten we allemaal, maar het andere traject was inmiddels al een rijdende en nauwelijks te stoppen trein. Mede omdat taakherschikking overal in de zorg als oplossing wordt gezien voor de (zelfgeschapen) capaciteitsproblemen en als bezuinigingspost. Als er een brief over een medische sector door het ministerie wordt rondgestuurd en een probleem gesignaleerd is, dan is per definitie taakherschikking de panacee. Zoals recent te zien was in een brief over het tekort aan huisartsen en de hoge werkdruk. In het blad van de VPHuisartsen heb ik ze enkele jaren geleden gewaarschuwd over dit patroon en de standaardoplossing die daarop volgt. In deze Coronatijd kan je jaloers kijken naar onze Oosterburen waar de zorg niet uitgekleed is, over ruim voldoende capaciteit beschikt en waar Herr en Frau dokter nog de dienst uitmaken en niet de manager of de zorgverzekeraar. Dat werkt in moeilijke tijden duidelijk een stuk beter.

Terug naar 2013 toen we ons als ANT begonnen te verzetten tegen het plan om via taakherschikking zonder supervisie van de tandarts het behandelen van primaire cariës en intra-orale röntgenopnames te gaan vrijgeven. Dat verzet deed de wenkbrauwen fronsen bij het ministerie en bij onze collega’s van de andere beroepsorganisaties. Meerdere malen werd mij verteld dat elk verzet zinloos was omdat het immers allang zo besloten was. Erger, op dreigende toon werd gezegd dat de hele mondzorg benadeeld zou worden als we met ons standpunt hier publiekelijk tegen in zouden gaan. Echter, het plan voor een stelselwijziging waarbij 60% van de bevolking met zogenaamde niet-complexe problemen de mondhygiënist als eerste behandelaar krijgt, is iets waar de Nederlandse bevolking over voorgelicht moet worden. Patiënten worden geacht steeds mondiger te zijn en zelf te kunnen beslissen. Met gerichte publieke acties is het item op de journalen en in alle grote kranten besproken zodat het niet alleen in de samenleving is gaan leven maar ook binnen de beroepsgroep. Daarnaast zijn we ook in de opleiding gedoken en de mate van deskundigheid bij mondhygiënisten die noodzakelijk is voor het uitvoeren van deze taken. Met name op het gebied van röntgen geldt strenge wetgeving waarbij er geen sprake kan zijn van twee verschillende deskundigheidsniveaus voor dezelfde rechtvaardiging en diagnose. Tijdens een bestuurlijk overleg over onze grieven met de toenmalige Minister Schippers heb ik de vergelijking getrokken dat je evenmin een beetje zwanger kan zijn. Dat viel niet helemaal in goede aarde, tenminste als ik de gezichten nog voor me zie. Maar hoe dan ook bleek duidelijk dat er door het ministerie veel meer uitgezocht moest worden rondom deze kwestie hetgeen in ieder geval weer tijdwinst opleverde. Tijdwinst die het over de verkiezingen van 2017 heen tilde, maar die wel weer een nieuwe VVD- minister met hetzelfde beleid op VWS deed belanden. Er zijn vele vergaderingen geweest over de benodigde deskundigheid die behaald werd tijdens de opleiding. Helaas, maar zoals ook te verwachten, voer het ministerie blind op de uitspraken van de hogescholen dat zij voldoende bekwame studenten afleverden. Uitspraken die gedaan werden zonder goed inzicht in de opleiding bij de universiteiten. De grootste hogeschool had nota bene de hele röntgenopleiding uitbesteed aan de universiteit en kon niet eens over het onderwerp meepraten! De uiteindelijke brief van de minister aan de Kamer bevatte listig de zinsnede dat "volgens de hogescholen gebleken was dat het opleidingsniveau voldoende was en daarmee het experiment kon doorgaan". De Kamer werd hiermee dus niet verkeerd voorgelicht maar wel op het verkeerde been gezet.

Omdat wij wisten dat er duidelijke verschillen waren op het gebied van röntgen lieten we het er niet bij zitten. We bereidden een getuigenverhoor bij de rechtbank in Den Haag voor om de gesprekken over röntgen over te doen, maar dan onder ede en met vragen die wij konden stellen. De rechtbank heeft ook daadwerkelijk de zaak in behandeling genomen, maar tot het verhoor is het nooit gekomen. Inmiddels was de verstandhouding met het ministerie verbeterd doordat daar ook weer nieuwe mensen werkten en is samen met de KNMT en NVM gekomen tot samenwerkingsafspraken die aan veel van onze bezwaren tegemoetkomen. Zo moet bijvoorbeeld een solo-opname binnen een maand nog door een tandarts bekeken worden, waardoor zaken als tumoren of peri-apicale afwijkingen goed gediagnosticeerd worden. Het experiment is er dan alsnog gekomen, maar veel beter ingekaderd rondom kwaliteit en patiëntveiligheid en de Nederlandse bevolking is goed doordrongen geraakt van de tandarts als de regisseur van de mondzorg. Het maken van een compromis is uiteindelijk ook respect voor je tegenstander en daarom is iedereen uiteindelijk dichter bij elkaar gekomen en kunnen we vooruit kijken.