Column Jan-Willem Vaartjes - Dentz 6



Ruim een jaar geleden kwam het concept van het raamplan mondzorg uit (ooit: ‘raamplan tandheelkunde’). KNMT en ANT maakten o.a. bezwaar over het feit dat de tandarts als coördinator (‘regisseur’ is zo beladen) van de mondzorg bewust nergens meer wordt genoemd. Het gevolg hiervan is dat studenten tandheelkunde en mondzorgkunde op den duur niet meer leren op deze beproefde wijze in teamverband te werken. Hiermee krijgt versnippering van de tandheelkunde al gestalte in de basis.

Omdat een nieuw curriculum toch nodig was, ontstond er een chicken game tussen de beroepsverenigingen en de opleiders. Helaas doken onze collegae van de KNMT eerder weg en hebben zij zonder dat er een letter is veranderd rondom de rol van de tandarts als coördinator van het tandheelkundig team, het raamplan goedgekeurd. De ANT blijft vierkant tegen dit raamplan omdat wij niet achter het huidige experiment taakherschikking van VWS kunnen staan, maar wij alleen hebben dit tij niet kunnen keren omdat er elders dus wel steun betuigd wordt. Zo zie je maar weer dat, als puntje bij paaltje komt, er niet hard genoeg wordt gestreden voor de tandarts als regisseur (eigen woorden) van de mondzorg. Dit lijkt voornamelijk beleden te worden met de mond en achter de schermen gemakkelijk opgegeven. 

Met 4 hogescholen in de commissie en 3 universiteiten is het op zich al een vreemde gang van zaken dat een dergelijke commissie de tandarts van de toekomst vormgeeft. De eindniveaus van mondzorgkunde en tandheelkunde overlappen in het nieuwe raamplan voor 90%, zodat de verschillen tussen de beroepsgroepen er op papier niet lijken te zijn. Het plan maakt wel een voorzichtig voorbehoud door aan te geven dat er mogelijk verschillen zijn in ‘competent’ tussen de eindniveaus van mondzorgkunde en tandheelkunde. Vanuit die gedachte wordt het eindniveau van mondzorgkunde in Romeinse cijfers (IV) aangegeven en die van tandheelkunde met Arabische cijfers (4). De ultieme poldernivellering naar goed ‘InHollands’ gebruik. 

Dat er twee soorten van competentie zouden bestaan vinden wij onwenselijk en problematisch. Bekwaamheid voor zelfstandig medisch handelen is gebaseerd op een minimumbekwaamheidsniveau en daarmee zijn twee soorten van competentie niet verenigbaar. Naast het feit dat dit zo is vastgelegd in onze kwaliteitswetten botst naar onze mening dit uitgangspunt o.a. met het Euratom verdrag. Volgens het Euratom verdrag moeten zorgverleners die röntgenopnames rechtvaardigen, indi
ceren en diagnosticeren, over voldoende kennis beschikken. Dit benodigde opleidingsniveau is altijd gebaseerd geweest op de competentie (4) van de tandarts. Kennelijk vindt men in Nederland dat daar een uitgeklede variant (IV) van zou mogen bestaan. Als ANT onderzoeken we momenteel de juridische mogelijkheden om daar bij de AMvB taakherschikking een punt van te maken.

Vreemd genoeg ontbreken in het raamplan de eindtermen van de 3-jarige bachelor tandheelkunde. Noodzakelijk om goed op te leiden, maar ook om te beoordelen hoe de bachelor tandheelkundestudent zich verhoudt tot de afgestudeerde mondhygienist. De inhoud is verder veel te globaal; er is bijvoorbeeld geen enkele minimum eis opgenomen op het gebied van praktische ervaring. Alleszins vreemd, omdat er in Europa al een goede basis ligt in ‘The Graduating European Dentist’, gepubliceerd door de Association for Dental Education in Europe (ADEE). En uiteraard is leadership en management van het dentale team bij de ADEE wèl opgenomen als leerdoel voor de aankomend tandarts. 

De ADEE is een organisatie waar alle tandheelkundige partijen die het raamplan goedkeurden lid van zijn, maar zij hebben nagelaten hier gebruik van te maken. 

Verder blijft het raamplan zo globaal dat het de vraag is of studenten door de snel veranderende technologische ontwikkelingen die in de tandheelkunde plaatsvinden, wel goed worden voorbereid op de toekomst. Materiaalkunde en tandtechniek zijn in Nederland al bijna weggepoetst in het curriculum, maar met de verregaande digitalisering en de vele verschillende producten op de markt zal juist deze engineeringkennis steeds belangrijker worden.

Wij zouden de universiteiten, als laatste, nog dit advies van de ADEE mee willen geven: “It is worth noting that in many cases, a graduating Dentist is classified as a “safe beginner.” Whilst this is a useful concept, curricula should not be written at the expense of students feeling unprepared for practice.”*

Fijne feestdagen en tot in 2020!