Tandarts blijft eerste aanspreekpunt

Door Jan Willem Vaartjes


Na het uitkomen van het rapport Commissie Innovatie Mondzorg (Linschoten) in 2006 is het aantal opleidingsplaatsen voor tandartsen van 300 naar 240 verlaagd, met als gevolg dat er nu een nijpend tekort aan in Nederland opgeleide tandartsen is. Daarnaast is in 2010 de opleiding verlengd met één jaar om de tandarts-nieuwe-stijl te creëren. Deze tandarts zou dan meer zijn of haar handen vrij hebben om ‘verrichtingen te doen op academisch niveau, leiding te geven aan een tandheelkundig team, zich wetenschappelijk te verdiepen en op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in het vakgebied’. Je kunt je ook afvragen wat er mis was met de vijfjarig opgeleide tandarts waartoe ik behoor. De toenmalige opleiding bestond uit vijf intensieve jaren. Deze inhoud lijkt momenteel vooral uitgesmeerd over zes jaar. Daar komt nog bij de grotere praktische ervaring waar wij indertijd mee afstudeerden.

Maar goed, windowdressing om de studie te upgraden naar zes jaar is te overzien, het venijn zit hem vooral in de talloze brieven die het ministerie verlaten met het statement ‘verrichtingen te doen op academisch niveau’. Blijkbaar vinden vooral niet-tandartsen dat wij te veel handelingen uitvoeren die niet op academisch niveau liggen. Daar zullen ze ook vast mee bedoelen, ‘daar willen we geen academisch tarief meer voor (laten) betalen’. Als je iets zelf niet doet, lijkt het natuurlijk altijd gemakkelijk. Hebben we zo’n gevoel vaak ook niet bij bijvoorbeeld een notaris of advocaat? Een logische, maar domme reflex. Kwalijker is het feit dat er een einde wordt gemaakt aan de tandarts als eerste aanspreekpunt voor de (ongecompliceerde) patiënt. De tandarts is van oudsher en wereldwijd het vaste aanspreekpunt voor de mondgezondheid van de patiënt. Dat wil niet zeggen dat de tandarts ook alles zelf moet doen, maar het belang van aanspreekpunt en coördinator wordt algemeen erkend en gewaardeerd. Onlangs is in de geboortezorg de aanwezigheid van een coördinerend zorgverlener verplicht gesteld. Het was daar kennelijk nodig met alle versnipperde zelfstandige praktijken en moeizame overdrachten van patiënten. Een mooi vooruitzicht voor de mondzorg.

Bijna elke patiënt heeft een vaste algemeen practicus en de samenwerking tussen deze ‘huistandarts’ en gedifferentieerde tandartsen of de tweede lijn functioneert uitstekend. De echte problemen in de mondzorg liggen buiten dit netwerk, bijvoorbeeld bij kinderen en ouderen die om wat voor reden dan ook geen toegang tot de tandarts hebben. Maar daar wordt dus nauwelijks iets aan gedaan. Alle energie wordt gestoken in het opbreken van het teamconcept onder één dak en de tandarts als coördinerende zorgverlener. Uiteindelijk kunnen daar alleen financiële motieven aan ten grondslag liggen, want de argumenten zijn onzinnig en van de fouten bij de geboortezorg wordt niet geleerd.

Bij een huisarts worden ook veel zaken verricht die, als je ze sec bekijkt, niet academisch zijn, maar net als bij ons zijn de integrale zorg en de coördinerende rol dat wel degelijk. Toch is er niemand die voorstelt dat de patiënt eerst door de verpleegkundige gezien wordt en als die er niet uitkomt de huisarts in beeld verschijnt. Iets wat de beleidsmakers voor de mondzorg normaal vinden. De ongecompliceerde patiënt (meestal kind) zou dus geen tandarts meer hoeven te zien. Behalve dan in het geval van calamiteiten, waar je dan verplicht geacht wordt klaar te staan. Het aantal volwassenen met overgewicht is de afgelopen dertig jaar verdubbeld, maar ik heb geen berichten gelezen waarin de huisarts de schuld hiervan kreeg of gehoord dat diëtisten voortaan maar op resultaat betaald moesten worden vanwege het perverse tariefsysteem. Kennelijk is het wel normaal als zulke zaken over tandartsen gezegd worden, soms zelfs door collega’s.

Dit beleid kan alleen maar een halt toegeroepen worden als we stoppen met negatief zijn, voor elkaar opkomen en geen millimeter meewerken met de afbraak van de tandarts als coördinator van de mondgezondheid. Dat betekent ook niet praten over de vormgeving van een experiment dat dat moet bewerkstelligen. Je kan dan misschien wat komma’s veranderen, maar meer ook niet en je legitimeert het beleid. De beleidsmakers zullen ons vast van alles proberen op te dringen, maar tot het maximaal wettelijk geoorloofde zullen we hieraan geen enkele medewerking verlenen. Ondertussen blijven we de samenleving voorlichten over wat de realiteit is. Zo’n experiment gaat nog wel even duren. Voordat het is afgerond zijn er zeker nieuwe verkiezingen geweest en kan de wereld er weer anders uitzien. De tandarts is en blijft het eerste aanspreekpunt voor de mondgezondheid. Dat standpunt zal de ANT nooit loslaten.

Door Jan Willem Vaartjes
Jan Willem Vaartjes is voorzitter van de ANT. Na zijn studie tandheelkunde heeft hij zich gedifferentieerd in de orale implantologie. Hij werkt als tandarts-partner bij de kliniek voor tandheelkunde in Utrecht. Vaartjes maakt zich sterk voor transparantie en minder regeldruk.