Verdere afbraak van Nederlandse tandheelkunde

Door Jan Willem Vaartjes


De vermindering van het aantal opleidingsplaatsen voor tandartsen is onlosmakelijk verbonden met het huidige beleid waar de overheid de tandarts voor de 'ongecompliceerde' patiënt wil vervangen door de mondhygiënist.

Ergens in de afgelopen decennia is er namelijk een beleidsverschuiving opgetreden van een model met de tandarts als coördinator van een mondzorgteam naar een model met verschillende mondzorgverleners die vrij toegankelijk zijn. Hierbij zijn de deskundigheidsgebieden minder complementair geworden en vertonen deze ook steeds meer overlap. Zie het volgende historisch overzicht.

In 2000 benoemde de commissie Lapré het huidige tandartsentekort als een serieus probleem. Men voorzag een onevenwichtige leeftijdsopbouw van de bevolking, relatief veel oudere tandartsen en mensen die een verzorgd en gezond gebit steeds belangrijker vinden. Op basis daarvan was de voorspelling dat in 2020 één miljoen Nederlanders geen tandheelkundige hulp meer zouden kunnen krijgen. Bij ongewijzigd beleid zou het aantal opleidingsplaatsen voor tandartsen daarom eigenlijk van 260 naar minimaal 330 moeten worden uitgebreid. Maar het commissierapport kwam met taakdelegatie en substitutie als oplossing en pleitte voor die route. De Wet BIG, die toen nog vrij nieuw was, zou volgens het rapport met het teamconcept een goede basis bieden voor het verlenen van doeltreffende en doelmatige mondzorg. Consolidatie en verfijning van het teamconcept werden aanbevolen. En dus geen verhoging van het aantal opleidingsplaatsen maar meer delegeren van behandelingen. De commissie Lapré adviseerde verder een experiment om het aantal periodieke controles door tandartsen met de helft te reduceren, maar dat zou pas kunnen met 7.600 werkzame mondhygiënisten.

In 2006 werd het rapport Linschoten gepubliceerd met adviezen over de inrichting van de mondzorg. De term ‘taakdelegatie’ was nu vervangen door die van ‘taakherschikking’, wat feitelijk neerkomt op substitutie. Binnen tien jaar zou de preventie en behandeling van gaatjes en tandvleesaandoeningen voor een grote groep medisch ongecompliceerde patiënten door de vierjarig opgeleide mondhygiënist verzorgd kunnen worden. De zesjarig opgeleide tandarts zou de mondarts worden en de gecompliceerde patiënten behandelen. Verbazingwekkend uit het rapport zijn de aannames over de ongecompliceerde patiënt. De panels van tandartsen en mondhygiënisten hadden er wezenlijk andere meningen over. Mondhygiënisten vonden bijv. 77 procent van de patiënten tussen de 18 en 30 jaar ongecompliceerd, tandartsen kwamen uit op 47 procent. De commissie besloot het maar arbitrair op 60 procent te zetten. Wel met het gevolg dat het aantal opleidingsplaatsen voor tandartsen van 260 naar 240 kon worden verlaagd, terwijl het aantal opleidingsplaatsen van mondhygiënisten verhoogd werd tot 300 per jaar.

Misschien wel het belangrijkste wapenfeit van het rapport is dat er nog wel wordt gesproken van de tandarts als regisseur van de mondzorg, maar dat het team niet meer onder één dak hoeft te werken. Het ANT-commentaar op het rapport Linschoten indertijd was niet mals. In de reactie stonden zinsneden als: “… flinterdun bewijs, gebaseerd op ambtelijke voorkeuren, zelfstandige vestiging ondergraaft juist teamconcept, het tandartsenbestand wordt geminimaliseerd, er zullen financiële prikkels komen om taakherschikking af te dwingen.”

In 2010 en 2013 verschenen nog twee rapporten van het Capaciteitsorgaan, waarin een realistischer percentage van 15 procent taakherschikking werd gehanteerd. Daarom adviseerde adviseerde het Capaciteitsorgaan in 2010 om het aantal opleidingsplaatsen voor Tandheelkunde uit te breiden van 220 naar 374. Maar de minister deed daar niets mee, in een brief aan de Kamer gaf zij aan liever taakherschikking te willen “bevorderen”. Een brief van gelijke strekking werd door de beroepsvereniging van mondhygiënisten (NVM) verstuurd. In het volgende rapport van het Capaciteitsorgaan van 2013 accepteerde men dat de helft van de nieuwe tandartsen in Nederland maar afkomstig konden zijn uit het buitenland en werd het advies daarom verlaagd naar 287. Een advies dat nog steeds een uitbreiding betekende. Maar ook dat advies legde de minister naast zich neer.

Vorig jaar rondom de discussie over taakherschikking kwam het capaciteitsvraagstuk weer ter sprake. Er moest nieuw onderzoek komen. Vreemd genoeg werd nu het Capaciteitsorgaan gepasseerd en werd het bedrijf Panteia ingehuurd. De ANT heeft aan die partij ook haar visie laten horen. Het rapport had januari van dit jaar klaar moeten zijn en een concept is ook in die periode aan het ministerie verzonden. Zeer waarschijnlijk staat ook in dit (concept) rapport dat er meer tandartsen nodig zijn. Dat is kennelijk niet de conclusie die het ministerie nu naar buiten wil brengen, omdat meer mondhygiënisten immers de oplossing zijn.

Het rapport is daarom in de onderste la verdwenen en er zijn andere bedrijven ingehuurd om ‘aanvullend’ onderzoek te verrichten. De ANT voert momenteel met een beroep op de WOB (Wet openbaarheid van bestuur) een procedure om het rapport alsnog boven water te krijgen. De uitspraak van de voorzieningenrechter zal in de tweede week juli vallen.

Tot slot is er nog een ander recent rapport dat geïnitieerd is onder druk van de taakherschikkingsagenda. Er is een gemeenschappelijk opleidingsplan opgesteld voor tandheelkunde en mondzorgkunde (raamplan). Behalve het feit dat de verschillen in het opleidingsniveau hierin juist vager worden gemaakt, is het laatste dieptepunt het verlaten van de tandarts als regisseur van de mondzorg. Dat betekent ook dat studenten Tandheelkunde en Mondzorgkunde niet meer leren samen te werken in een team waarbij er een coördinerende rol voor de master-Tandheelkunde-student is weggelegd. De ANT heeft zich teruggetrokken toen dit drama zich afspeelde. Immers, de naam van je organisatie onder een dergelijk plan legitimeert de verdere afbraak van de tandheelkunde in Nederland.

In andere sectoren is de overheid er ook in geslaagd om met ondeskundig 'vernieuwingen' in te voeren de kwaliteit naar beneden te brengen, denk hierbij aan het onderwijs. Wij zullen er in ieder geval alles aan doen om de mondzorg op een academisch niveau te houden.

Door Jan Willem Vaartjes
Jan Willem Vaartjes is voorzitter van de ANT. Na zijn studie tandheelkunde heeft hij zich gedifferentieerd in de orale implantologie. Hij werkt als tandarts-partner bij de kliniek voor tandheelkunde in Utrecht. Vaartjes maakt zich sterk voor transparantie en minder regeldruk.