Minister beantwoordt kritische vragen Kamerleden met holle frasen

Reactie minister Bruins op vragen Kamerleden bevat geen echte antwoorden en roept meer vragen op


Met grote verbazing heeft de ANT kennis genomen van de schriftelijke antwoorden die minister Bruins gisteren heeft gegeven op de vele kritische vragen die eerder door de Eerste en Tweede Kamer zijn gesteld over de voorgenomen zelfstandige bevoegdheid voor ‘geregistreerd-mondhygiënisten’.

Naast een lijst van opvallende feitelijke onjuistheden in de antwoorden, blijkt uit de tekst dat de minister wederom voorspelbare antwoorden geeft die geen recht doen aan de vele pleidooien van tandartsen en Kamerleden. Het geschetste beeld van de mondzorg is uiterst eenzijdig en komt volkomen wereldvreemd over, waardoor het voor tandartsen nauwelijks herkenbaar is.

Wij zullen later nog terugkomen met een diepere analyse van de door minister Bruins gegeven antwoorden, voor deze nieuwsflits beperken we ons tot opzienbarende en de meest zorgwekkende passages:

  • de opleidingen tandheelkunde zijn volgens de minister van mening dat de mondhygiënist goed genoeg is opgeleid op het gebied van radiologie; dit is juist níet het geval,
  • de minister heeft ervoor gekozen om adviezen van de eigen Inspectie (IGJ) met betrekking tot aspecten van het deskundigheidsgebied van de geregistreerd-mondhygiënist en de definitie van ‘primaire cariës’ niet over te nemen,
  • een ander advies van de IGJ, om als verplichting in de AMvB op te nemen dat afspraken met een tandarts over diens achterwachtfunctie vastgelegd moeten zijn, is eveneens niet gevolgd,
  • de minister noemt in de Kamerbrief een aantal EU-landen waar de mondhygiënist al bevoegd is om zelfstandig röntgenfoto’s te maken en te beoordelen, terwijl dat aantoonbaar niet het geval is.


Onherkenbare inzichten
De minister stelt verder dat er consensus is binnen de beroepsgroepen over het begrip ‘primaire cariës’ en de behandelaarsdeskundigheid van de ‘geregistreerd-mondhygiënist’ op dit vlak. De ANT is niet op de hoogte van het bestaan van enige consensus, het tegendeel is eerder het geval. We vinden het onbegrijpelijk dat de minister in dit stadium van het proces de feiten hierover nog steeds niet op de juiste wijze kan of wil presenteren.

In de brief verklaart de minister ook dat de mondzorg geen regisseurs of poortwachters zou kennen, noch nodig hebben. Volgens hem is iedereen verantwoordelijk voor het eigen handelen. Ondanks dat de minister wel de voordelen van het teamconcept benoemt en goede samenwerking en afstemming als voorwaarde ziet voor een verantwoord totaalpakket aan mondzorg, en bovendien beaamt dat twee-derde van de mondhygiënisten in een tandartspraktijk werkt, vindt hij kennelijk de samenwerking daar, wederom ongemotiveerd, onvoldoende. De minister ziet er verder geen enkel probleem in om de zorgverleners juist verder van elkaar te plaatsen, desnoods onder "digitale" daken.

Meerdere malen wordt ook het woord ‘duur’ in verband gebracht met onze opleidingen, zonder in te gaan op de voordelen en de maatschappelijke noodzaak van deze opleidingen of deze te durven vergelijken met de vele andere ‘dure’ opleidingen in de zorg.

De preventieassistent heeft het gedaan
Opvallend is ook dat de minister een negatief en overduidelijk door belangen en domeinstrijd ingegeven NVM-standpunt over preventieassistenten heeft omarmd en dankbaar in zijn antwoord heeft verwerkt: hij ziet in het ‘massaal opleiden’ van preventieassistenten door tandartsen een oorzaak voor het niet van de grond komen van de door hem gewenste taakherschikking, hierbij voorbijgaand aan het feit dat juist delegatie aan assistenten een hogere doelmatigheid en grotere efficiency oplevert, met behoud van waardevol direct toezicht en onder verantwoordelijkheid van de tandarts. Ook is de preventieassistent een beroep dat juist in de door de minister aangehaalde overheidsrapporten veelvuldig wordt beschreven als een van de betere oplossingen om het werk van de tandarts te verlichten.

Geen juiste zorg op de juiste plek
Het bekende pleidooi voor hoger opgeleide beroepsbeoefenaren waar nodig, en lager waar mogelijk, gaat voorbij aan het feit dat de meest breed opgeleide zorgverlener in feite ook de enige is die een goede en verantwoorde periodieke controle kan doen, tijdig afwijkingen kan herkennen en kan voorkomen dat problemen zich vermenigvuldigen. Het vrijgeven van orale radiologie is beleid dat versnippert en burgers uiteindelijk met zowel hogere kosten als hogere stralingsbelasting opzadelt. Het opknippen van de curatieve behandeling in ‘eenvoudige gaatjes’ en ‘moeilijke gaatjes’ is een dusdanige simplificatie van de dagelijkse werkzaamheden van de tandarts dat hieruit alleen maar miskenning zo niet minachting blijkt voor de waarde en de inhoud van ons beroep.

Het experiment van minister Bruins en zijn onwil om een echte dialoog met het veld aan te gaan zet nu de deur wijd open voor kwaliteitsverval in de mondzorg. De Nederlandse patiënt gaat hiervoor de rekening gepresenteerd krijgen.

Bekijk de brief