NVPM creëert meeste draagvlak onder tandartsen

HEEMSTEDE – Nu er twee afzonderlijke organisaties voor de ontwikkeling van mondzorgrichtlijnen zijn ontstaan, is het mede aan de beroepsgroep zelf om uit te maken welke bestuurlijke opzet de voorkeur verdient. Evenwichtige beeldvorming is daarbij van cruciaal belang. Daarom sprak Dental Tribune deze week ook met een vertegenwoordiger van het andere ‘kamp’: ANT-voorzitter Jan Willem Vaartjes. “Het is jammer dat er zoveel misverstanden zijn.”

De situatie is er met de oprichting van de Nederlandse Vereniging Praktijkrichtlijnen Mondzorg (NVPM) niet duidelijker op geworden…
Dat is inderdaad zo. Het gaat er echter om dat we de mondzorg vooruit helpen, en dat we niet onder het mom van ‘we lopen achter’ of ‘we moeten eendracht uitstralen’ de foute afslag nemen. Onder onze leden merkten wij (KNMT en ANT, red.) een groeiende onvrede over de manier waarop de richtlijnontwikkeling zich bestuurlijk aan het vormen was. Tandartsen – toch degenen die de richtlijnen in de praktijk gaan gebruiken – voelen zich onvoldoende vertegenwoordigd in het Kennisinstituut Mondzorg (KiMo). Een gebrek aan draagvlak ligt dan op de loer.

Toch is het KiMo opgezet door de gezamenlijke wetenschappelijke verenigingen en andere belanghebbenden in de mondzorg. Deze vertegenwoordigen toch juist de beroepsgroep?
Het is de vraag in hoeverre wetenschappelijke verenigingen die vaak een meerderheid van algemeen practici als leden hebben, daadwerkelijk mandaat hebben of krijgen van hun leden als ze de huidige opzet van het KiMo zouden voorleggen. De KNMT en ANT zijn de afgelopen week overweldigd met steunbetuigingen. Ik ben zelf lid van een aantal wetenschappelijke verenigingen, maar heb vanuit deze verenigingen nauwelijks informatie ontvangen over de vorderingen met de Federatie en het KiMo en de daarin gemaakte keuzes. In hoeverre vertegenwoordigen zij dan écht het veld? Als individuele tandartsen mee kunnen stemmen over de gang van zaken in een richtlijnenvereniging, voelen zij zich veel meer betrokken.

De afgelopen week is het beeld ontstaan dat KNMT en ANT ‘plotseling’ met de NVPM op de proppen kwamen. Is er een ommezwaai gemaakt?
De breuk met het KiMo was al enige tijd aan het ontstaan, ook al waren wij als ANT formeel nog bij het richtlijninstituut betrokken. Aan de onderhandelingstafel heb ik er meerdere keren op aangedrongen de KiMo een vereniging te maken waar tandartsen lid van kunnen worden, zodat er meer draagvlak ontstaat. Dat verzoek werd helaas telkens afgewezen. Ik heb benadrukt dat bij een verenigingsvorm de leden met hun contributie zelf voor de financiering zorgen, maar ook daarin vond ik geen gehoor. Misschien, kunnen we achteraf stellen, zaten er gewoon te veel partijen aan tafel. Ik heb dus op allerlei manieren iets proberen te veranderen; dat wij ‘uit het niets’ zijn uitgestapt, daar herken ik mij dan ook niet in.

Uiteindelijk zijn KNMT en ANT gesprekken aangegaan en hebben we besloten zelf het NVPM te lanceren. In allerlei zorgsectoren is de structuur vergelijkbaar als bij de NVPM, denk maar aan de huisartsen. Het succes daarvan sterkt ons in de juistheid van onze opzet. Een structuur zoals het KiMo kom je nergens anders in de zorg tegen. In alle andere sectoren is de beroepsgroep immers zélf eigenaar van het kwaliteitsinstituut.

Is het ‘zelf financieren’ van de richtlijnvereniging voor de ANT een belangrijk punt?
Zeker, want als die eigen financiering er niet is, creëer je afhankelijkheid van derden. Er is nu weliswaar een subsidie verleend door het Ministerie van VWS, maar deze zal een keer aflopen en dan is het de vraag welke financieringsvorm ervoor in de plaats komt. Dat is toch een gevaar. Als de KNMT en ANT het niet betalen, hoe wordt het dan geregeld? Bovendien is de subsidie potentieel niet zo onschuldig als deze lijkt. Zo heeft VWS als nieuwe voorwaarde gesteld dat er iemand met een functie in het Zorginstituut in de raad van toezicht komt. Waar houdt de bemoeienis op en wat gebeurt er over drie jaar? De overheid heeft in het verleden niet altijd het beste voor gehad met tandartsen.

Toch zal de NVPM nooit zoveel ‘onafhankelijkheid’ kunnen uitstralen als het KiMo, waarbij alle betrokken mondzorgpartijen aan tafel zitten. De NVPM is alleen door de beide beroepsorganisaties opgericht.
De NVPM is een vereniging waarbinnen individuele KNMT- en ANT-tandartsen kunnen stemmen en dat zijn er meer dan 8000; de KNMT en ANT krijgen ieder slechts één stem en hebben daardoor geen invloed op richtlijnen en de aanstelling van bestuursleden. Zij zorgen slechts voor de financiering en zullen alleen ingrijpen als deze uit de hand loopt. Vergelijk dat maar eens met een niet-transparante stichting met alleen mensen buiten de mondzorg in de raad van toezicht.

Intussen heeft ook de Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten (NVM) sceptisch gereageerd op de oprichting van de NVPM. Die voelt zich “buitenspel gezet” omdat de richtlijnen nu door de tandartsen zélf en niet mondzorgbreed ontwikkeld worden.
Het is jammer dat er dit soort misverstanden zijn. Mondhygiënisten en ook tandprothetici worden helemaal niet buitenspel gezet. Ze krijgen exact dezelfde positie als die ze in het KiMo zouden krijgen, namelijk in de adviesraad. Bij de richtlijnen die hen aangaan, worden zij op dezelfde wijze geconsulteerd als in het KiMo, namelijk in de ontwikkeling. Er is dus helemaal geen verschil, behalve in het feit dat het een vereniging is van individuele tandartsen. Wij nodigen iedereen uit om mee te doen. Ook hier zou ik graag de vergelijking met andere zorgsectoren maken. Ik heb nooit gehoord dat huisartsen verpleegkundigen buitenspel zetten omdat hun richtlijnen door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) worden ontwikkeld.

Jullie nodigen iedereen uit om mee te doen, in het bijzonder de wetenschappelijke verenigingen. Maar die hebben zich al aan het KiMo verbonden. Gaat dit problemen opleveren?
Aangezien KNMT en ANT slechts een faciliterende rol zullen spelen binnen de NVPM, vraag ik me af waarom wetenschappelijke verenigingen niet met ons in zee zouden willen. Ik durf te betwijfelen of de steun van wetenschappelijke verenigingen aan het KiMo wel zo sterk is. Ook afgezien van de wetenschappelijke verenigingen moeten er genoeg wetenschappers te vinden zijn die graag deze handschoen oppakken. Verder zoeken wij samenwerking met de NHG, CBO en het Kennis Instituut van de Medisch Specialisten (KIMS), zodat van hun infrastructuur gebruik gemaakt kan worden bij de ontwikkelingen van richtlijnen. De NVOI huurde onlangs zelf ook het CBO in voor de ontwikkeling van de richtlijn overkappingsprothese.

Hoe verwacht u dat het verder gaat?
Ik verwacht dat er maar één model toekomst heeft: het model waarbinnen het veld eigenaar is van het kwaliteitsinstituut. De tandartsen zijn degene met de kennis op hun vakgebied en zullen uiteindelijk kiezen welk instituut draagvlak heeft. Het is jammer dat de Federatie het niet heeft aangedurfd een organisatie op te richten die voor tandartsen echt democratisch is. Dit doet mij vermoeden dat ook de Federatie vreest voor weinig vertrouwen binnen de beroepsgroep. Nu de beroepsgroep duidelijk heeft wat de verschillen zijn, denk ik niet meer dat ze voor het KiMo-model zullen kiezen.

Gepubliceerd op DentalTribune