Overleg taakherschikking VWS: nog veel hordes te nemen

Overleg taakherschikking VWS: nog veel hordes te nemen en discussie over het nut van de maatregel duurt voort

Afgelopen dinsdag heeft bij VWS het uitgesteld overleg plaatsgevonden tussen  de opleiders in de mondzorg en de drie belangenverenigingen KNMT, ANT en NVM. Dit overleg stond eerder gepland voor 15 maart maar de door de opleiders aangeleverde informatie maakte een zinvolle inhoudelijke discussie nog niet mogelijk. De tussenliggende tijd is door VWS gebruikt om apart met de universiteiten en de opleidingen mondzorgkunde het overleg verder voor te bereiden. Minister Schippers had tijdens het bestuurlijk overleg begin februari de veldpartijen verzocht de handen ineen te slaan om op constructieve wijze te onderzoeken hoe de indeling van het mondzorgveld gestalte zou kunnen krijgen. De ANT heeft deze uitnodiging aanvaard op voorwaarde dat alle feiten die nodig zijn voor  een evenwichtige beoordeling van de opties conform de vereiste van behoorlijk overheidsbestuur eerst boven tafel zouden komen. Met die toezegging van minister Schippers zijn we momenteel midden in het stadium van de fact finding.

Het afgelopen overleg is een tussenstation gebleken. Inmiddels delen alle partijen het inzicht dat er belangrijke verschillen in opleiding bestaan op het gebied van de röntgen-diagnostiek maar dat deze verschillen tot op heden niet gedetailleerd in kaart zijn gebracht. En dat is wel nodig om de relevantie ervan op waarde te kunnen schatten. De ANT heeft daarom het verzoek herhaald om de experts die daadwerkelijk het röntgen-onderwijs verzorgen bij de universiteiten en hogescholen om de tafel te zetten en een rapport te laten opstellen dat als basis zal dienen voor verder overleg. Een ander belangrijk punt blijft het begrip "primaire cariës" en de daaraan gekoppelde discussie over complexe versus niet-complexe vormen van mondzorg. Ook hier zijn partijen het erover eens dat de afbakening aanzienlijk aangescherpt zal moeten worden, vooral ook in het belang van de patiënt en van transparante zorg.

Voor de KNMT en de ANT blijft het uitgangspunt dat geen voorbehouden handelingen worden vrijgegeven zonder dat de mondhygiënisten aantoonbaar en op hetzelfde niveau zijn geschoold als de tandartsen. Aan dat principe en aan de kwaliteit van de zorg mag niet getornd worden. Er spelen echter nog legio andere overwegingen rond taakherschikking die in dit stadium tijdelijk naar de achtergrond zijn geschoven. De AMvB gaat versnippering en zelfstandige vestiging in de hand werken waar iedereen het erover eens dat het tegenovergestelde vereist is. En de zorg moet juist transparanter worden met volledige duidelijkheid voor de patiënt over de competenties van diens behandelaar. Nu gaat er mogelijk naast 2, 3 en 4-jarig opgeleide mondhygiënisten ook nog een verdere verdeling komen in mondhygiënisten die wel en die niet röntgen-foto's mogen maken of die wel of niet bekwaam zijn om te boren. De consument wordt daarmee een doolhof ingestuurd. Daarnaast zal de zorg ook zeker duurder en minder doelmatig gaan worden.

De verwachting is nu dat de ambtenaren op basis van de tot nu toe verzamelde informatie de stand van zaken zullen samenvatten t.b.v. hun bewindslieden en dat wij op redelijke korte termijn te horen krijgen welk vervolg de minister aan dit dossier wil geven. De ANT zou het toejuichen als de resterende tijd tot het eind van dit jaar gebruikt zou worden voor een verdere inventarisatie en consolidatie van de gegevens die nodig zijn voor een solide besluitvoming. Dat zou inhouden dat het rapport Capaciteit Mondzorg dat de minister binnenkort wil aanbesteden beschikbaar zal zijn, de opleidingen samen met de beroepsverenigingen een raamplan mondzorg hebben uitgewerkt en de vakinhoudelijke experts zich over de inhoud van de curricula hebben gebogen, met name op het gebied van de cariologie en de maxillo-faciale radiologie. In de tussentijd mag dan verwacht worden dat een nieuw kabinet is aangetreden en dat de opvolger van minister Schippers een duidelijke politieke lijn in het dossier taakherschikking kan uitzetten op basis van de bevindingen en aanbevelingen van alle betrokken partijen.