Tandarts geen ondernemer ondanks bijkomende activiteit

Of er sprake is van ondernemerschap is niet altijd even duidelijk zoals de volgende casus laat zien.

Tandarts Jansen* werkt als zzp’er voor een BV die een tandartspraktijk exploiteert. Jansen is daarnaast voor 50% eigenaar van deze BV. De andere 50% van de aandelen zijn in handen van de familie De Vries. Jansen is -afgezien van een waarnemer- de enige tandarts in de praktijk en draagt zorg voor de operationele bedrijfsvoering. Ook verhuurt ze als bijkomende activiteit apparatuur aan de BV die zij zelf op leasebasis huurt. Het gaat om een behandelunit, een thermo-desinfector en röntgen- en sterilisatieapparatuur. Jansen factureert maandelijks haar honorarium en de huur van de apparatuur aan de BV. Jansen staat als eenmanszaak ingeschreven in het handelsregister en heeft op eigen naam een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. De directie van de BV wordt gevoerd door Mulder, die ook de personeelszaken en technische aangelegenheden voor zijn rekening neemt. Weer een ander persoon doet de financiën en administratie.

Winst uit onderneming?
In haar belastingaangifte verantwoordt de tandarts haar honorarium en huuropbrengsten als winst uit onderneming. De belastinginspecteur accepteert dit echter niet en stelt dat het honorarium van Jansen loon uit dienstbetrekking is en dat de verhuur van apparatuur -kort gezegd- geen bron van inkomen is. De leasekosten zijn daardoor dus ook niet aftrekbaar.

De belastingrechter oordeelt tot in hoogste instantie dat het honorarium niet als winst uit onderneming kan worden gezien omdat Jansen

  • geen eigen patiënten heeft noch acquireert;
  • slechts één opdrachtgever (de BV) heeft;
  • geen ondernemersrisico of (een meer dan verwaarloosbaar) debiteurenrisico loopt.


De verhuuropbrengsten beoordeelt de rechter als resultaat uit overige werkzaamheid, waarop dus alle toerekenbare kosten en lasten, zoals afschrijvingen, in mindering kunnen worden gebracht.

Uit deze procedure blijkt eens te meer, dat een tandarts die werkt voor één opdrachtgever, niet streeft naar continuïteit door het verwerven van meer opdrachten en geen ondernemersrisico’s loopt niet als ondernemer wordt erkend. Het is een interessante vraag of de rechter Jansen wel als ondernemer zou hebben gezien als zij het genot van de apparatuur en haar arbeid zou hebben ingebracht in de BV met als tegenprestatie een aandeel in de omzet en zij ook het volle debiteurenrisico van de praktijk had gedragen.

Mogelijke heffing van sociale verzekeringspremies (SVP)
In de procedure komt de mogelijke heffing van sociale verzekeringspremies (SVP) over de arbeidsvergoeding niet aan de orde. Het risico op deze heffing is niet denkbeeldig nu blijkt dat Jansen geen directiefunctie in de BV vervult. Als eenvoudig medewerker voldoet zij daarom niet aan het criterium dat zij niet tegen haar wil kan worden ontslagen. In de situatie van een dienstbetrekking biedt slechts de combinatie van 50% aandelenstemrecht (of: evenveel aandelenbelang als iedere andere aandeelhouder) en een directiefunctie bescherming tegen SVP-plicht. Dat geldt ook in een holdingstructuur: de holding moet aan hetzelfde aandelencriterium voldoen, terwijl de tandarts zelf of diens holding een directiefunctie in de werk-BV heeft.

Dit artikel is geschreven door Jos Sluijs en Peter van Velzen, verbonden aan 216 Ceifer Belastingadviseurs in Zeist, tel 030.6928090.

* De namen in dit artikel zijn gefingeerd