update implantologie

Afgelopen maandag hebben alle partijen gereageerd op het voorstel van de NZa omtrent de implantologietarieven.

De belangrijkste zaken uit het NZa-voorstel zijn
- Invoering op 1 januari 2016 in plaats van 1 juli 2015 wat gevraagd is.
- Invoeren van de prestatie J80, een cluster wat de diagnostiek en de chirurgie beslaat voor het plaatsen van twee implantaten in de onderkaak t.b.v. een overkappingsprothese. 
- Het J80 cluster bestaat uit de prestaties J02, J97, J20, J21 en zal in plaats van de 19% korting, 25% worden gekort. Het budget wat daardoor vrijkomt wordt gebruikt om de prestaties J20 en J21 (plaatsen eerste en volgende implantaat) minder te korten. De korting voor deze prestaties zal dan 5,15% bedragen.
- Invoeren van J30, een vast tarief voor de materiaalkosten van het implantaat van ongeveer 285 euro. De regel van de één op één doorbelasting van de materiaalkosten zou dan niet meer gelden. Duurdere implantaten zijn dan voor eigen rekening en op lagere materiaalkosten kan marge gemaakt worden.
- Invoeren van J40T, J41T, J42T, J43T. Analoog aan de vaste implantaatprijs zijn deze prestaties bedoeld voor een vaste materiaalprijs van de mesostructuur.

Reactie ANT
Allereerst is het goed om te vernemen dat de NZa serieus werk heeft gemaakt van het herwaarderen van de hoog-volume- laag-complexe zorg en de laag-volume hoog-complexe zorg door het instellen van J80 en de bijbehorende budgetverschuiving naar de J20 en J21. De signalen uit het veld waren dermate sterk dat wij ons veel zorgen maakten over de kwaliteit van de hoogwaardige en complexe implantologie. Het voorstel wat er nu ligt is wat ons betreft wel een stap in de goede richting, maar de invoerdatum van 1 januari is teleurstellend.

1 januari is een teleurstellende uitkomst
Wij hadden gehoopt dat deze veranderingen per 1 juli zouden worden doorgevoerd. Nu ontstaat er een situatie waarbij vrij plotseling de tarieven eerst naar beneden en vervolgens naar boven worden gewijzigd. Een situatie die zowel voor de patiënt en zorgverlener lastig en moeilijk te begrijpen is. Nu er 6 maanden meer tijd lijkt te worden genomen, zouden wat ons betreft meer veranderingen doorgevoerd moeten worden.

ANT vraagt om verdere modernisering J-hoofdstuk
De NVOI heeft eerder een aantal veranderingen in het J-hoofdstuk voorgesteld, deze zijn o.a. ook terug te vinden in het voorstel voor de nieuwe verrichtingenlijst opgesteld door de wetenschappelijke verenigingen. De ANT heeft het J-hoofdstuk herschreven aan de hand van deze wijzigingen (o.a. J11 aanpassen dat het ook bij het plaatsen van een implantaat gebruikt kan worden) en ook ingediend bij de NZa. Verder lijkt het ons verstandig om de prothetische verrichtingen uit het J-hoofdstuk te verplaatsen naar het P-hoofdstuk. Het blijkt namelijk dat de indexering van het J-hoofdstuk lager uitvalt dan bij de rest van de mondzorg, zoals de conventionele prothese. Vakinhoudelijk gezien verschillen deze prestaties namelijk weinig en is een verder oplopend verschil onwenselijk. Daarnaast zal bij een toekomstig kostenonderzoek er een zuivere scheiding zijn tussen prothetiek en chirurgie, waarbij het nu niet duidelijk is waar kennelijk de marges lagen die de hoge korting hebben veroorzaakt.

Vaste implantaatprijs
In het eerder verstuurde voorstel van ZN, ONT en de ANT is de NZa gevraagd om op basis van marktonderzoek de tarieven te maximeren van de implantaten t.b.v. een implantaatgedragen kunstgebitten. Dit om doelmatigheid na te streven waar het hoort en de budgetdruk op het aanvullend deel te verlichten. Het voorstel van de NZa behelst enigszins verbazingwekkend nu een vaste implantaatprijs van 285 euro voor alle implantaten.

Mede door het bezwaar van ANT- leden tegen de tarief beschikking vanwege het ontbreken van een level playing field met de kaakchirurg, heeft de NZa besloten om het bekostigingsmodel min of meer gelijk te stellen. Blijkbaar was het eenvoudiger om de tandartsen aan te passen aan de kaakchirurgen dan vice versa. Ondanks dat de regel nu breder uitwerkt over alle implantaten, kan de ANT deze beslissing in het licht van functionele bekostiging begrijpen en is het voorlopig een werkbare oplossing. Enige zorg van onze kant is er wel omtrent de mogelijkheid tot gebruik van relatief dure volledig zirconium implantaten door sommige tandartsen en ook het feit dat de vaststelling van de implantaatprijs geen race-to-the-bottom zou moeten worden. We hopen en verwachten ook dat toekomstige deregulering in het aanvullend deel hier een oplossing voor zou moeten kunnen bieden.

Cluster: twee implantaten in de onderkaak/J80
Het voorgestelde tarief voor J80 bevindt binnen maar ook aan de onderkant van de bandbreedte die wij minimaal noodzakelijk achten om de kwaliteit en beschikbaarheid van het zorgaanbod op peil te houden. Daarnaast heeft de NZa het gedane voorstel zodanig veranderd dat bij drie of vier implantaten in de onderkaak deze alleen onder J80, aangevuld met J21 of J22 gedeclareerd kunnen worden. Het honorarium voor het onderzoek en het plaatsen van de vier implantaten zou dan ongeveer uitkomen op ca. 720 euro, waarbij dan voor ca. 1140 euro aan materiaalkosten voor de implantaten gedeclareerd kunnen worden. De lagere totaalprijs wordt dus deels goedgemaakt doordat de vaste implantaatprjjs J30 tegelijkertijd wordt ingevoerd. Deze prestatie is een gemiddelde bestemd voor alle indicaties, waardoor er specifiek in de onderkaak enige efficiëntie is te behalen. Hierdoor kunnen wij akkoord gaan met de voorgestelde aanpassing, met dien verstande zoals eerder aangegeven dat deze prestatie op peil blijft.

Door de omschrijving van J80 is het niet mogelijk om andere chirurgische verrichtingen te declareren. In het geval dat in een complexere situatie een botopbouw noodzakelijk is, dan is de zorgverlener min of meer gedwongen om eerst dit als pre-implantologische chirurgie te verrichten, dus zonder dat er implantaten geplaatst worden. De extra handelingen en de materiaalkosten van de botopbouw en het in twee-fasen plaatsen van de implantaten zijn anders immers niet declareerbaar. Wij verwachten niet dat dit veelvuldig zal plaatsvinden, echter wij hebben de NZa hiervoor gewaarschuwd.

De J40T, J41T, J42T en J43T
Samen met ZN en de ONT, heeft de ANT naar aanleiding van de vragen gesteld door het Zorginstituut haar verantwoordelijkheid genomen en de NZa gevraagd een maximum te stellen voor de materiaalkosten van de mesostructuur. In deze brief is gevraagd om deze maximering te baseren op marktonderzoek. Marktonderzoek dat ook al aanwezig is bij enkele zorgverzekeraars. Het voorstel van de NZa is momenteel niet gebaseerd op marktonderzoek maar op cijfers afkomstig van het kostenonderzoek. Helaas kunnen wij niet anders dan concluderen dat er waarschijnlijk wat zaken misgaan bij de totstandkoming van deze bedragen. Deze zijn dermate afwijkend dat leveranciers van mesostructuren een zware tijd tegemoet gaan mocht dit gehandhaafd blijven. Nu ook in de NVOI gedragsregels afgesproken is dat er originele abutments gebruikt worden, zal mogelijk de J40T en de J41T moeten komen te vervallen, omdat daar te weinig ruimte wordt geboden. 

Overige zaken
De ANT en de KNMT hebben gevraagd om het toevoegen van het puntenaantal van V21 bij R31. Vorig jaar is dit bij het clusteren van V21 niet meegenomen. Verder hebben wij gevraagd om een aparte prestatie voor aanvullende hechttechniek bij kroon- en brugwerk. Hierbij moet gedacht worden aan silaniseren, zandstralen en separate bondingprocedures.

update implantologie