De staat van het implantaat

De staat van het implantaat

Klaagster staat ingeschreven bij de tandartsenpraktijk waar beklaagde als tandarts werkzaam is. Klaagster komt elk half jaar op controle bij beklaagde en om de drie maanden bij de mondhygiëniste in dezelfde praktijk. Ongeveer tien jaar geleden is in de kaak van klaagster een implantaat geplaatst. Tijdens de afspraken in 2015 bij de mondhygiëniste worden al verontrustende bevindingen genoteerd ten aanzien van het implantaat. Eind 2018 wordt klaagster door beklaagde doorverwezen naar een tandarts-paradontoloog vanwege twijfels over de conditie van het tandvlees en kaakbot rondom het implantaat.

Het eerste deel van klacht van klaagster houdt in dat zij van mening is dat beklaagde medisch onzorgvuldig heeft gehandeld door te laat een diagnose te stellen. Een naar mening van klaagster te late doorverwijzing naar de tandarts-paradontoloog maakt hiervan onderdeel uit. Klachtonderdeel betreft de volgens klaagster onzorgvuldige nazorg door beklaagde.

Volgens het College levert het handelen van beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt op. Op het moment dat patiënt doorverwezen werd naar de tandarts-paradontoloog was al sprake van botverlies waarbij ook het implantaat niet meer volledig in het bot stond. Op röntgenfoto’s uit eerdere jaren (2012 en 2015) was al (progressief) botverlies bij klaagster te zien. Beklaagde verklaarde ter zitting dat hij tijdens controles van het gebit van klaagster is uitgegaan van hetgeen te zien was in haar mond en de notities van de mondhygiëniste. Het College acht dit onvoldoende. Uit de röntgenfoto’s is immers op te merken dat het aantal windingen van het implantaat dat boven het bot uitsteekt was toegenomen. Deze specifieke toename is echter niet beschreven in het medisch dossier waardoor het College niet kan beoordelen of het (regelmatig) meten van de DPSI-score van het tandvlees van klaagster heeft plaatsgevonden.

Beklaagde verweert zich met het standpunt dat de vorm en positie van de kroon onderzoek bemoeilijkten. Volgens het College diende beklaagde naar alternatieven voor verder onderzoek te kijken. Het College oordeelt dat beklaagde alerter had moeten zijn op de eerdere röntgenfoto’s. Drie jaar vóór de doorverwijzing was immers al een ontsteking geconstateerd. Beklaagde had volgens het College zijn bevindingen en de (potentiële) problemen (eerder) met klaagster moeten bespreken. Een eerdere doorverwijzing had logische stap geweest. Beklaagde heeft patiënt niet tijdig doorverwezen en daarmee niet zo zorgvuldig gehandeld zoals van een redelijk en bekwaam vakgenoot verwacht had mogen worden. Dit overwegende oordeelt het College dit klachtonderdeel gegrond.

Het tweede klachtonderdeel, dat ziet op de nazorg, word ongegrond verklaard. Naast het eenmalige telefonische contact heeft beklaagde niet op de klacht van klaagster bij het KNMT gereageerd. Beklaagde had anders kunnen handelen en de voorkeur gaat volgens het College uit naar eerder contactmoment, maar het College oordeelt hierin dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.  

Het College beslist dat beklaagde niet heeft gehandeld zoals van hem verwacht had mogen worden. De klacht wordt dan ook gedeeltelijk gegrond verklaard waarbij een maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

Klik hier voor de uitspraak

Mr. Suzanne Steegmans is sinds 2010 advocaat bij KBS Advocaten N.V. te Utrecht en staat beroepsbeoefenaren, waaronder tandartsen, bij in procedures bij de Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg.