Loskomen van facings niet verwijtbaar

Loskomen van facings niet verwijtbaar

Klaagster is sinds juni 2006 patiënte bij de tandartsenpraktijk van beklaagde. In juni 2009 heeft klaagster de mogelijkheid tot het plaatsen van facings met beklaagde besproken. Na de mock-up te hebben gepast zijn de facings uiteindelijk in december 2009 door beklaagde geplaatst. Op 15 januari 2010 is de facing op element 21 losgekomen. Beklaagde heeft de facing diezelfde dag teruggeplaatst. Kort daarna, op 26 januari 2010, is er weer contact omdat de facing op element 21 niet lekker zou zitten na terugplaatsing. Beklaagde heeft deze facing op 1 februari 2010 ingeslepen. Daarna is nog tweemaal contact geweest tussen klaagster en beklaagde, maar bleek de facing op element 21 op de röntgenfoto geen bijzonderheden te vertonen.

Eind juli 2010 heeft de facing op element 12 losgelaten. Omdat beklaagde op dat moment op vakantie was, heeft een dienstdoende collega-tandarts de facing vastgezet met noodcement. Deze facing laat diezelfde dag opnieuw los.

Op 2 augustus 2010 heeft beklaagde klaagster uitgenodigd voor een gesprek waarin klaagster aangeeft dat zij geen vertrouwen in beklaagde meer heeft. Beklaagde biedt aan de volledige kosten van de facings te restitueren. Klaagster gaat met dit voorstel akkoord. Op 23 augustus 2010 is klaagster naar een andere tandartsenpraktijk geweest, ten behoeve van de vervanging van de eerder geplaatste facings. Op 18 juli 2019 dient klaagster vervolgens een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag.

Klaagster verwijt beklaagde dat zij 1) de behandeling eind 2019, waarbij facings bij klaagster zijn geplaatst, niet lege artis heeft uitgevoerd, waardoor onherstelbare schade is veroorzaakt aan het gebit van klaagster, 2) klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over de inhoud en uitvoering van de behandeling, 3) klaagster onvoldoende nazorg heeft geboden en 4) informatie in het dossier van klaagster heeft aangepast, weggelaten en verwijderd.

Ad 1)
Het enkele feit dat er na de behandeling facings zijn losgekomen, is onvoldoende om vast te stellen dat de behandeling niet lege artis is uitgevoerd. Het Tuchtcollege overweegt dat niet is gebleken dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Ad 2)
Deze klacht is deels niet-ontvankelijk vanwege verjaring. Voor zover haar klacht ziet op de periode na 18 juli 2009 is klaagster wel ontvankelijk. Het College kan niet vaststellen dat beklaagde klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd. Naar tevredenheid van klaagster is na het passen van de mock-up een vervolgafspraak gemaakt voor de behandeling. Beklaagde kan ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 

Ad 3)
Gezien het feit dat controles hebben plaatsgevonden, de losgekomen facing is teruggeplaatst en een gesprek op de praktijk heeft plaatsgevonden, waarbij de restitutie van de volledige behandeling is toegezegd, stelt het College dat voldoende nazorg is geboden door beklaagde. Zeker nu ter zitting is gebleken dat klaagster in het bezit was van het mobiele telefoonnummer van beklaagde en beklaagde klaagster zelfs in het weekend heeft gezien. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.

Ad 4)
Beklaagde heeft de nacontroles niet genoteerd en heeft dit ter zitting ook erkend. Beklaagde licht toe dat zij daar in het kader van de nazorg die zij klaagster (kosteloos en in het weekend) heeft willen bieden, niet aan heeft gedacht. Omdat beklaagde inzicht heeft getoond in haar onzorgvuldig handelen en daarvoor spijt heeft betuigd, is het College van oordeel dat het niet-noteren van de betreffende nacontroles niet kan leiden tot gegrondbevinding van dit klachtonderdeel.

Beklaagde wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

Klik hier voor de uitspraak

Mr. Suzanne Steegmans is sinds 2010 advocaat bij KBS Advocaten N.V. te Utrecht en staat beroepsbeoefenaren, waaronder tandartsen, bij in procedures bij de Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg.